Het Verbond van Lausanne

…om Zijn grote daden te verkondigen…

Het onderstaande is een vertaling van de Engelse tekst van de z.g. “Lausanne Covenant”(het Verbond van Lausanne) zoals dat gesloten werd tijdens het Internationale Congres voor Wereldevangelisatie. Wij beschouwen de inhoud van deze verklaring een goede omschrijving van ons uitgangspunt.

Inleiding

Als leden van de Kerk van Jezus Christus uit meer dan 150 landen en deelnemers aan het Internationale Congres voor Wereldevangelisatie in Lausanne prijzen wij God om zijn groot heilswerk en verheugen wij ons over de gemeenschap, die Hij ons met zichzelf en onderling heeft geschonken. Wij worden diep bewogen door wat God in deze tijd doet, onze tekortkomingen brengen ons tot verootmoediging en de onvoltooide taak van evangelisatie is een uitdaging voor ons. Wij geloven dat het evangelie het goede nieuws van God voor de gehele wereld is. Wij zijn vastbesloten, door zijn genade, gehoorzaam te zijn aan de opdracht van Jezus Christus om zijn heil aan alle mensen te verkondigen en alle volken tot zijn discipelen te maken. Daarom verlangen wij ons geloof en ons besluit te bevestigen en ons verbond in het openbaar bekend te maken.

1. het plan van God

Wij belijden opnieuw ons geloof in de Ene, eeuwige God, Schepper en Heer der wereld, Vader, Zoon en Heilige Geest, die alle dingen naar de raad van zijn wil regeert. Hij heeft uit de wereld zich een eigen volk bijeen geroepen en dit volk teruggezonden de wereld in, opdat zij zijn dienaren en getuigen zijn. Hij heeft hen geroepen tot uitbreiding van zijn Koninkrijk, tot opbouw van het lichaam van Christus en tot verheerlijking van zijn naam. Wij belijden met schaamte dat wij onze roeping vaak ontrouw zijn geweest en onze opdracht niet vervuld hebben, doordat wij ons aan de wereld aanpasten of ons er uit terugtrokken. Toch verheugen wij ons erover dat het evangelie, zelfs wanneer het zich in aarden vaten bevindt, nochtans een kostbare schat is. Wij verlangen ons opnieuw toe te wijden aan de taak deze schat door de kracht van de Heilige Geest bekend te maken.

(Jes. 40:28; Matth. 28:19; Eph. 1: 11; Hand. 15:14; Joh. 17:6,18; Eph. 4:12; 1 Cor. 5: 10; Rom. 12:2. 2 Cor. 4:7).

2. het gezag en de macht van de bijbel

Wij belijden opnieuw de Goddelijke inspiratie, de betrouwbaarheid en het gezag van de oud- en nieuwtestamentische geschriften in hun totaliteit als het enige geschreven Woord van God. Het is zonder dwaling in al wat het uitspreekt en het is de enige onfeilbare maatstaf voor geloof en leven. Wij belijden tevens de macht van Gods Woord om zijn heilsplan te realiseren. De boodschap van de Bijbel is tot de gehele mensheid gericht, want Gods openbaring in Christus en in de Heilige Schrift is onveranderlijk. De Heilige Geest spreekt vandaag nog door de Bijbel. Hij verlicht het verstand van Gods volk in alle culturen. Zo onderkennen zijn kinderen zijn waarheid steeds opnieuw met hun eigen ogen, en zo onthult Hij de gehele kerk steeds meer van de veelkleurige wijsheid Gods.

(2 Tim. 3:16; 2 Petr. 1:21; Joh. 10:35; Jes. 55:11; 1 Cor. 1:21; Rom. 1:16; Matth. 5:17, 18; Judas 3; Eph. 1:17, 18; 3:10, 18).

3. de unieke en universele betekenis van Christus

Wij belijden opnieuw dat er slechts één Verlosser en één Evangelie is, hoewel er echter een grote verscheidenheid van wijzen van benaderen in de evangelisatie is. Weliswaar weten wij dat alle mensen vanuit de algemene openbaring in de natuur enige kennis van God hebben, maar wij ontkennen dat zij hierdoor gered kunnen worden, want zij onderdrukken de waarheid door hun ongerechtigheid. Als afbreuk doende aan de betekenis van Christus en het evangelie, wijzen wij af: elke vorm van syncretisme en elke dialoog, waarbij men er van uitgaat, dat Christus op gelijke wijze spreekt door alle religies en ideologieën. Jezus Christus, de enige, die volkomen God en mens is, die zichzelf als de enige losprijs voor zondaren heeft gegeven, is de enige middelaar tussen God en mens. Er is geen andere naam waardoor wij gered kunnen worden. Alle mensen gaan verloren door de zonde, maar God heeft allen lief en Hij wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. Maar wie Jezus Christus verwerpt, versmaadt de vreugde van het heil en veroordeelt zichzelf tot eeuwige scheiding van God. Wanneer Jezus Christus als “de Verlosser der wereld” wordt verkondigd, wil dat niet zeggen, dat alle mensen vanzelf of uiteindelijk nog gered worden; nog minder betekent het dat alle religies het heil in Christus aanbieden. Het betekent juist dat Gods liefde aan een wereld van zondaren verkondigd wordt en dat alle mensen uitgenodigd worden Hem in oprechte persoonlijke overgave door berouw en geloof, als Heer en Heiland te erkennen. Jezus Christus is verhoogd boven alle naam. Wij verlangen naar de dag, waarop alle knie zich voor Hem zal buigen en alle tong zal belijden, dat Hij Heer is.

(Gal. 1:6-9; Rom. 1:18-32; 1 Tim. 2:5, 6; Hand. 4:12; Joh. 3:16-19; 2 Petr. 3:9; 2 Thess. 1:7-9; Joh. 4:42; Matth. 11:28; Eph. 1:20, 21; Phil. 2:9-11.)

4. de aard van de verkondiging van het evangelie

Evangelisatie betekent: het goede nieuws verspreiden dat Jezus Christus voor onze zonden, stierf en naar de Schriften uit de doden opstond en dat Hij nu als de heersende Koning de vergeving der zonden en de bevrijdende gave van de Heilige Geest aanbiedt aan allen die zich bekeren en geloven. Voor evangelisatie is onze aanwezigheid als christenen in de wereld onontbeerlijk, evenals die vorm van dialoog die, door een meelevend luisteren, het begrijpen van de ander tot doel heeft. Maar evangelisatie zélf is, naar haar aard, de verkondiging van de historische, bijbelse Christus als Heiland en Heer, met als doel, de mensen te bewegen persoonlijk tot Hem te komen en zo met God verzoend te worden. Wie de uitnodiging van het evangelie uitspreekt mag de kosten van het discipelschap niet verzwijgen. Nog steeds roept Jezus allen, die Hem willen volgen, op zichzelf te verloochenen, hun kruis op zich te nemen en zich met zijn nieuwe gemeenschap te identificeren. Onder de gevolgen van de evangelieverkondiging zullen dan ook gevonden moeten worden: gehoorzaamheid aan Jezus Christus, zich voegen in zijn Kerk en verantwoordelijke dienst in de wereld.

(1 Cor. 15:3, 4; Hand. 2:32-39; Joh. 20:21; 1 Cor. 1:23; 2 Cor. 4:5; 2 Cor. 5:11, 20; Luc. 14:25-33; Marc. 8:34; Hand. 2:40, 47; Marc. 10:43-45).

5. de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de christen

We erkennen dat God zowel de Schepper als de Rechter is van alle mensen. Daarom moeten wij ook deelhebben aan zijn verlangen naar gerechtigheid en verzoening in heel de samenleving en naar de bevrijding van de mensen van elke soort van onderdrukking. Daar de mens naar het beeld van God geschapen is, bezit iedereen, ongeacht zijn ras, religie, kleur, cultuur, klasse, zijn geslacht of leeftijd een met de geboorte gegeven waardigheid. Daarom moet hij niet uitgebuit, maar gerespecteerd en gediend worden. Ook ten aanzien hiervan belijden wij dat wij dit vaak over het hoofd zagen en dat wij soms evangelisatie en maatschappelijke verantwoordelijkheid als aan elkaar tegengesteld hebben gezien. Ofschoon verzoening tussen mensen niet hetzelfde is als verzoening met God; sociale actie geen evangelisatie is en politieke bevrijding geen verlossing is, spreken we toch uit dat evangelisatie en maatschappelijke en politieke betrokkenheid beide deel zijn van onze christelijke verantwoordelijkheid. Beide zijn noodzakelijke uitingen van onze leer over God en de mens, van onze liefde tot de naaste en onze gehoorzaamheid aan Jezus Christus. De boodschap van het heil omvat tevens een boodschap van oordeel over iedere vorm van vervreemding, onderdrukking en discriminatie. We moeten niet schromen, kwaadaardigheid en onrecht aan de kaak te stellen, waar dit ook voorkomt. Wanneer mensen Christus aannemen, gaan zij door wedergeboorte deel uitmaken van zijn Koninkrijk en moeten niet alleen trachten de gerechtigheid daarvan in eigen leven gestalte te geven, maar die ook te midden van een onrechtvaardige wereld uit te breiden. De verlossing, waar we over spreken, moet ons in de totaliteit van onze persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheden veranderen.

(Hand. 17:26, 3 l; Gen. 18:25; Jes. 1: 17; Ps. 45:7; Gen. 1:26,27; Jac. 3:9; Lev. 19:18; Luc. 6:27,3 5; Jac. 2:14-26; Joh. 3:3, 5; Matth. 5:20; 6:33; 2 Cor. 3:18; Jac. 2:20.)

6. de kerk en evangelisatie

Wij erkennen opnieuw dat Jezus Christus zijn verlost volk in de wereld zendt, gelijk de Vader Hem gezonden heeft. Dit vraagt van ons een even diep en alles opofferend doordringen in de wereld. Wij moeten uitbreken uit onze kerkelijke ghetto’s en de niet-christelijke samenleving binnentrekken. In de zending van de kerk tot toegewijde dienst staat evangelisatie op de eerste plaats. Wereldevangelisatie vereist dat de gehele kerk aan de gehele wereld het gehele evangelie brengt. De kerk van Jezus Christus vormt het centrum van het de gehele kosmos omvattende plan van God en is zijn uitverkoren werktuig ter verbreiding van het evangelie. Maar een kerk die het kruis predikt moet zelf door het kruis getekend zijn. Een kerk wordt een struikelblok voor evangelisatie, wanneer zij het evangelie ontrouw wordt, of een levend geloof in God mist, geen echte liefde voor de mensen heeft of ook maar in de geringste mate onoprecht is in allerlei zaken zoals bijv. financieel beheer of propaganda. De kerk is niet zozeer een instituut, doch in de eerste plaats de gemeenschap van Gods volk en mag niet geïdentificeerd worden met een bepaalde cultuur, met een maatschappelijk of politiek systeem, of met een menselijke ideologie.

(Joh. 17:18; 20:21; Matth. 28:19-20; Hand. 1:8; 20:27; Eph. 1:9, 10; 3:9-1l; Gal. 6:14, 17; 2 Cor. 6:3, 4; 2 Tim. 2:19-21; Phil. 1:27).

7. samenwerking in evangelisatie

Wij erkennen opnieuw dat de bedoeling van God is dat de kerk zichtbaar één is in waarheid. Evangelisatie roept ons ook op tot eenheid, omdat onze eenheid ons getuigenis versterkt, even als ons gebrek aan eenheid het evangelie der verzoening ondergraaft. Wij zien echter in, dat organisatorische eenheid velerlei vormen kan aannemen en dat daardoor de evangelisatie niet zonder meer wordt bevorderd. Wij echter, die hetzelfde bijbelse geloof hebben, behoren ons hecht aaneen te sluiten in gemeenschap, dienst en getuigenis. Wij belijden dat ons getuigenis vaak door zondig individualisme en onnodige overlapping geschaad werd. Wij verplichten ons een diepere eenheid in waarheid en aanbidding, heiliging en opdracht te zoeken. Wij dringen aan op het ontwikkelen van regionale en functionele samenwerking om de zending der kerk te bevorderen, voor strategische planning, tot wederzijdse bemoediging en het gemeenschappelijk benutten van middelen en ervaringen.

(Joh.17:21,23; Eph.4:3,4; Joh. 13:35; Phil 1:27;Joh.17:11-23).

8. de samenwerking van kerken bij de evangelieverkondiging

Wij verheugen ons erover dat een nieuw tijdperk van de zending is aangebroken. De overheersende positie van de westerse zendingsinstanties neemt snel af. God doet in de jonge kerken een grote bron ontstaan, waaruit Hij ten behoeve van de wereldevangelisatie kan putten en toont daardoor dat de verantwoordelijkheid voor de verkondiging van het evangelie voor het gehele Lichaam van Christus geldt. Iedere kerk moet daarom God en zichzelf vragen wat zij moet doen, om zowel in eigen omgeving actief te zijn, als ook zendelingen naar andere delen van de wereld te zenden. Wij dienen voortdurend onze verantwoordelijkheid ten aanzien van de verkondiging van het evangelie en onze rol in het zendingswerk te evalueren. Op deze wijze groeit het partner-zijn van de kerken en het wereldwijde karakter van de kerk van Christus zal duidelijker naar voren komen. Wij danken God voor die instellingen die zich inspannen voor de vertaling van de Bijbel, voor theologische opleiding, massa-media, christelijke literatuur, evangelisatie, zending, gemeentevernieuwing en andere gespecialiseerde taken. Ook zij dienen zich voortdurend af te vragen in hoeverre zij op een effectieve wijze bijdragen in de vervulling van de taak van de kerk van Jezus Christus.

(Rom. 1:8; Phil. 1:5; 4:15; Hand. 13:1-3; 1 Thess. 1:6-8).

9. de urgentie van de taak om te evangeliseren

Meer dan 2,7 miljard mensen – meer dan tweederde van de mensheid- moeten nog met het evangelie geconfronteerd worden. Wij schamen ons, dat zovelen verwaarloosd werden; dat is een voortdurend verwijt aan ons en aan de gehele kerk. Toch is nu in vele delen van de wereld een ongekende openheid voor de Here Jezus Christus waar te nemen. Wij zijn ervan overtuigd dat nu de tijd voor de kerken en voor interkerkelijke instellingen gekomen is, vurig te bidden voor de redding van de tot nu toe niet bereikten en zich opnieuw in te zetten voor wereldevangelisatie. Een vermindering van het aantal zendelingen en een afname van de stroom van buitenlands geld kan soms nodig zijn in een land dat het evangelie gehoord heeft om zodoende de nationale kerken de kans tot zelfstandige groei te geven en om ook over middelen te kunnen beschikken voor gebieden die het evangelie nog niet gehoord hebben. Meer en meer moeten zendelingen, in een gezindheid van ootmoedige dienstverlening, bereid zijn van en naar alle zes continenten te gaan. Het doel moet zijn, alle beschikbare materialen te benutten om zo spoedig mogelijk ieder de gelegenheid te geven het goede nieuws te horen, te begrijpen en aan te nemen. Zonder offers zullen wij dit doel niet bereiken. De armoede van miljoenen mensen schokt ons allen. Wij zijn ontsteld over de onrechtvaardigheid, die deze armoede veroorzaakt. Diegenen onder ons die in welvaart leven nemen op zich een eenvoudige levensstijl te ontwikkelen, om zodoende royaler bij te dragen aan hulp en evangelisatie.

(Joh. 9:4; Matth. 9:35-38; Rom. 9:1-3; 1 Cor. 9:19-23; Marc. 16:15; Jes. 58:6, 7; Jac. 1:27; 2:1-9; Matth. 25:31-46; Hand. 2:44, 45; 4:34, 35).

10. evangelisatie en cultuur

De ontwikkeling van een strategie voor wereldevangelisatie vereist vindingrijkheid bij het vinden van nieuwe methoden. Onder leiding van God zullen kerken ontstaan, die diep geworteld zijn in Jezus Christus en nauw met hun cultuur verbonden zijn. Iedere cultuur moet steeds weer vanuit de Schrift onderzocht en beoordeeld worden. Omdat de mens een schepping van God is bevat zijn cultuur in sommige opzichten een rijkdom aan mooie en goede dingen. Maar omdat hij gevallen is, werd alles door de zonde bevlekt en deels raakte zijn cultuur onder demonische invloed. Het evangelie geeft aan geen enkele cultuur de voorrang, maar beoordeelt alle culturen volgens zijn eigen maatstaf van waarheid en gerechtigheid en stelt absolute, ethische eisen aan elke cultuur. De zending heeft al te vaak met het evangelie een vreemde cultuur geëxporteerd en kerken waren soms meer aan een cultuur dan aan de Schrift gebonden. Evangelisten van Christus moeten er nederig naar streven zichzelf te verloochenen in alles, zonder hun persoonlijke authenticiteit prijs te geven, om zo een dienaar van anderen te kunnen worden. De kerken moeten er naar streven de cultuur om te vormen en te verrijken, opdat God ook daarin verheerlijkt wordt.

(Marc. 7:8, 9, 13; Gen. 4:21, 22; 1 Cor. 9:19-23; Phil. 2:5-7; 2 Cor. 4:5).

11. vorming en leiderschap

Wij belijden dat wij soms de groei van de kerk ten koste van haar verdieping hebben nagestreefd en evangelisatie gescheiden hebben van de geestelijke versterking van de gemeente. Wij erkennen dat sommige van onze zendingsinstanties te lang geaarzeld hebben, nationale leiders toe te rusten en aan te moedigen, de hun toekomende verantwoordelijkheden over te nemen. Toch bevestigen wij het beginsel van de nationale zelfstandigheid en verlangen ernaar dat iedere kerk haar leiders van eigen nationaliteit heeft, die een christelijke stijl van leidinggeven openbaren, die niet in het heersen, doch in het dienen naar voren komt. Wij erkennen de noodzaak de theologische vorming te verbeteren, vooral voor diegenen, die de kerk moeten leiden. In ieder volk en in iedere cultuur zou er een doeltreffend trainingsprogramma voor voorgangers en gemeenteleden in geloofsleer, discipelschap, evangelisatie, toerusting en dienst moeten zijn. Bij de vorming van een dergelijk trainingsprogramma moet men niet het vertrouwen stellen op een elders toegepaste methodiek, maar moet dit door creatief plaatselijk initiatief volgens bijbelse maatstaven ontwikkeld worden.

(Col. 1:27, 28; Hand. 14:23; Titus 1:5, 9; Marc. 10:42-45; Eph. 4:11,12).

12. een geestelijke strijd

Wij geloven dat wij in een voortdurende geestelijke strijd gewikkeld zijn met de overheden en kwade machten, die trachten de kerk te overweldigen en te hinderen in haar taak tot evangelisatie van de wereld. Wij weten dat het noodzakelijk is de wapenrusting Gods aan te doen en deze strijd te voeren met de geestelijke wapens van de waarheid en het gebed, want wij ontdekken de activiteit van onze vijand niet alleen in de valse ideologieën buiten de kerk, maar evenzeer in de kerk, in de verkondiging van een ander evangelie, dat de Schrift verdraait en de mens op de plaats van God stelt. Wij moeten waakzaam zijn en de geesten onderscheiden om de bijbelse boodschap hiervoor te vrijwaren. Wij erkennen, dat wijzelf niet immuun zijn voor wereldgelijkvormigheid in denken en handelen, wat een overgave aan secularisatie is. Om een voorbeeld te noemen: hoewel nauwkeurige onderzoekingen over numerieke en geestelijke groei van de kerk juist en waardevol zijn, hebben wij er soms geen aandacht aan besteed. Eveneens hebben wij soms door het verlangen reactie op de evangelieverkondiging te krijgen, onze boodschap verwaterd of onze toehoorders gemanipuleerd door hen onder druk te zetten. Wij hebben soms te grote waarde aan statistieken gehecht en dit materiaal zelfs oneerlijk gebruikt. Dit alles is werelds. De kerk moet in de wereld leven, maar de wereld niet in de kerk.

(Eph. 6:12-17; 2 Cor. 4:3, 4; Eph. 6:11; 13-18; 2 Cor. 10:3-5; 1 Joh.2:18-26, 4:1-3; Gal.1:6-9; 2 Cor.2:17; 4:2, Joh. 17:15).

13. vrijheid en vervolging

Het is Gods opdracht voor iedere regering vrede, rechtvaardigheid en vrijheid zeker te stellen, waaronder de kerk God gehoorzamen, de Here Jezus Christus dienen, en het evangelie zonder belemmering verkondigen kan. Daarom bidden wij voor de leiders van de volken en doen een beroep op hen de vrijheid van denken en geweten te garanderen, evenals de vrijheid tot uitoefening en de verbreiding van godsdienst, in overeenstemming met de wil van God en zoals dit is vastgelegd in de “Algemene verklaring van de rechten van de mens”. Tevens geven wij uitdrukking aan onze diepe bezorgdheid over al diegenen, die onrechtmatig in gevangenschap zijn, vooral voor onze broeders, die vanwege hun getuigenis voor de Here Jezus lijden. Wij beloven voor hun vrijheid te bidden en ons ervoor in te spannen. Tegelijkertijd weigeren wij ons door hun tot vrees te laten aanjagen. God moge ons helpen, dat ook wij ons verzetten tegen ongerechtigheid en het evangelie trouw blijven, wat het ook kosten moge. Wij vergeten de waarschuwing van Jezus niet, dat vervolging onvermijdelijk is.

(1 Tim. 1:1-4; Hand. 4:19; 5:29; Col. 3:24; Hebr. 13:1-3; Luc. 4:18; Gal. 5:11; 6:12; Matth. 5:10-12; Joh. 15:18-21).

14. de kracht van de Heilige Geest

Wij geloven in de kracht van de Heilige Geest. De Vader zond zijn Geest om te getuigen van zijn Zoon; zonder zijn getuigenis is ons getuigenis tevergeefs. Overtuiging van zonde, geloof in Christus, wedergeboorte en groei in het geloof zijn geheel zijn werk. Ook is de Heilige Geest een zendende Geest. Evangelisatie moet daarom vanuit de met de Geest vervulde kerk als vanzelf voortkomen. Wanneer een kerk geen zendingskerk is, spreekt zij zichzelf tegen en dooft de Geest uit. Wereldwijde evangelisatie zal alleen dan een reële mogelijkheid worden, wanneer de Heilige Geest de kerk vernieuwt in waarheid en wijsheid, in geloof en heiliging, in liefde en kracht. Wij roepen daarom alle christenen op te bidden om zulk een genadig komen van de soevereine Geest van God, opdat al zijn kracht in zijn gehele volk zichtbaar worde en al zijn gaven het lichaam van Christus verrijken. Alleen dàn zal de gehele kerk een bruikbaar werktuig in zijn hand zijn, waardoor de gehele wereld zijn stem zal horen.

(1 Cor. 2:4; Joh. 15:26, 27; 16:8-11; 1 Cor. 12:3; Joh. 3:6-8; 2 Cor. 3:18; Joh. 7:37-39, 1 Thess. 5:19; Hand. 1:8; Ps.85:4-7; 67:1-3; Gal. 5:22, 23; 1 Cor. 12:4-31; Rom.12:3-8).

15. de wederkomst van Christus
Wij geloven dat Jezus Christus persoonlijk en zichtbaar in macht en heerlijkheid zal wederkomen om zijn bevrijding en gericht te voleindigen. De belofte van zijn komst is een extra aansporing voor onze evangelisatie, want wij denken aan zijn woorden dat de boodschap eerst aan alle volken verkondigd moet worden. Wij geloven dat de tijd tussen Christus’ hemelvaart en zijn wederkomst gevuld moet worden door de zending van het volk van God. Wij hebben niet het recht, de zending voor het eind der tijden af te breken. Wij herinneren ons ook zijn waarschuwing, dat valse christussen en valse profeten als voorlopers van de Antichrist zullen opstaan. Daarom verwerpen wij als een trotse en zelfverzekerde droom, de mening dat de mensheid eens op aarde een utopia kan bouwen. Ons vertrouwen als christenen rust daarin, dat God zijn Koninkrijk zal voleindigen en wij zien vol verwachting uit naar die dag, waarop er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal zijn, waarin gerechtigheid woont en God voor eeuwig regeert. Intussen wijden wij ons opnieuw toe aan de dienst aan Christus en de mensen in een vreugdevolle onderwerping aan zijn gezag over geheel ons leven.

(Marc. 14:62; Hebr. 9:28; Marc. 13:10; Hand. 1:8-11; Matth. 28:20; Marc. 13:21-23; Joh. 2:18, 4:1-3; Lucas 12:32; Openb. 21:1-5; 2 Petr. 3:13; Matth. 28:18).

conclusie

Omdat wij dit bovenstaande geloven en daartoe vastbesloten zijn, sluiten wij een verbond met God en met elkaar, om voor de evangelisatie van de gehele wereld samen te bidden, plannen te maken en actief te zijn. Wij roepen anderen op zich bij ons aan te sluiten. Moge God door zijn genade ons helpen, om tot zijn eer trouw te blijven aan dit verbond! AMEN, Halleluja!

Copyright 1974, World Wide Publications, Used by permission

Print Friendly

Subscribe to personalized email updates: